XHTML en
CSS getest
vragen over webdesign ?

Verdrag inzake de Rechten van het Kind


Aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989

met:
Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie

en:
Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten

Volledige tekst van het verdrag:
Preambule
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,
Overwegende dat, in overeenstemming met de in het Handvest van de Verenigde
Naties verkondigde beginselen, erkenning van de waardigheid inherent aan, alsmede
van de gelijke en onvervreemdbare rechten van, alle leden van de mensengemeenschap
de grondslag is voor vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,
Indachtig dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen
in de fundamentele rechten van de mens en in de waardigheid en de waarde van de
mens opnieuw hebben bevestigd en hebben besloten sociale vooruitgang en een
hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen,
Erkennende dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens en in de Internationale Verdragen inzake de Rechten van de Mens hebben
verkondigd en zijn overeengekomen dat een ieder recht heeft op alle rechten en
vrijheden die daarin worden beschreven, zonder onderscheid van welke aard ook,
zoals naar ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of sociale afkomst, eigendom, geboorte of andere status,
Eraan herinnerende dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens hebben verkondigd dat kinderen recht hebben op bijzondere
zorg en bijstand,
Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke
omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in
het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat
het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen,
Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of
haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving, in een sfeer van
geluk, liefde en begrip,
Overwegende dat het kind volledig dient te worden voorbereid op het leiden van
een zelfstandig leven in de samenleving, en dient te worden opgevoed in de geest
van de in het Handvest van de Verenigde Naties verkondigde idealen, en in het bijzonder
in de geest van vrede, waardigheid, verdraagzaamheid, vrijheid, gelijkheid en
solidariteit,
Indachtig dat de noodzaak van het verlenen van bijzondere zorg aan het kind is vermeld
in de Verklaring van Genève inzake de Rechten van het Kind van 1924 en in
de Verklaring van de Rechten van het Kind, aangenomen door de Algemene
Vergadering op 20 november 1959 en is erkend in de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens, in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten (met name in de artikelen 23 en 24), in het Internationaal
Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (met name in artikel
10) en in de statuten en desbetreffende akten van gespecialiseerde organisaties en
internationale organisaties die zich bezighouden met het welzijn van kinderen,
Indachtig dat, zoals aangegeven in de Verklaring van de Rechten van het Kind, “het
kind op grond van zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming
en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming,
zowel vóór als na zijn geboorte”,
Herinnerende aan de bepalingen van de Verklaring inzake Sociale en Juridische
Beginselen betreffende de Bescherming en het Welzijn van Kinderen, in het
bijzonder met betrekking tot Plaatsing in een Pleeggezin en Adoptie, zowel
Nationaal als Internationaal; de Standaard Minimumregels van de Verenigde Naties
voor de Toepassing van het Recht op Jongeren (De Beijingregels); en de Verklaring
inzake de Bescherming van Vrouwen en Kinderen in Noodsituaties en Gewapende
Conflicten,
Erkennende dat er, in alle landen van de wereld, kinderen zijn die in uitzonderlijk
moeilijke omstandigheden leven, en dat deze kinderen bijzondere aandacht
behoeven,
Op passende wijze rekening houdend met het belang van de tradities en culturele
waarde die ieder volk hecht aan de bescherming en de harmonische ontwikkeling
van het kind,
Het belang erkennende van internationale samenwerking ter verbetering van de
levensomstandigheden van kinderen in ieder land, in het bijzonder in de
ontwikkelingslanden,

zijn het volgende overeengekomen:

DEEL 1
artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een kind verstaan ieder mens jonger
dan achttien jaar, tenzij volgens het op een kind van toepassing zijnde recht de
meerderjarigheid eerder wordt bereikt.
artikel 2
1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het
Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder
discriminatie van welke aard dan ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal,
godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke
afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van
zijn of haar ouder of wettige voogd.
2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat
het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op
grond van omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de
overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.
artikel 3
1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen
door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door
rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de
belangen van het kind de eerste overweging.
2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de
bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend
met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die
wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende
wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en
voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van
kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met
name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en
hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.
artikel 4
De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere
maatregelen om de in dit Verdrag erkende rechten te verwezenlijken. Ten aanzien
van economische, sociale en culturele rechten nemen de Staten die partij zijn deze
maatregelen in de ruimste mate waarin de hun ter beschikking staande middelen dit
toelaten en, indien nodig, in het kader van internationale samenwerking.
artikel 5
De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten
van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin
of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of
anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in
passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit
Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende
vermogens van het kind.
artikel 6
1. De Staten die partij zijn, erkennen dat ieder kind het inherente recht op leven
heeft.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate de
mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind.
artikel 7
1. Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de
geboorte recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover
mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in
overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de
desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind
anders staatloos zou zijn.
artikel 8
1. De Staten die partij zijn, verbinden zich tot eerbiediging van het recht van het
kind zijn of haar identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en
familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging.
2. Wanneer een kind op niet rechtmatige wijze wordt beroofd van enige of alle
bestanddelen van zijn of haar identiteit, verlenen de Staten die partij zijn passende
bijstand en bescherming, teneinde zijn identiteit snel te herstellen.
artikel 9
1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn
of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van
de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke
recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in
het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een
bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind
door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet
worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
2. In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken
partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun
standpunten naar voren te brengen.
3. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of
beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en
rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het
belang van het kind.
4. Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een
Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning,
deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip
van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in
bewaring wordt gehouden) van één ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt
die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een
ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige
lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden,
tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De
Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek
op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).
artikel 10
1. In overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens
artikel 9, eerste lid, worden aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat
die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die
partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed behandeld. De Staten die
partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijke aanvraag geen
nadelige gevolgen heeft voor de aanvragers en hun familieleden.
2. Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op
regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke
betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe,
en in overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens
artikel 9, tweede lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en
van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten,
en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land dan ook te verlaten is slechts
onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter
bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of
de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met
de andere in dit Verdrag erkende rechten.
artikel 11
1. De Staten die partij zijn, nemen maatregelen ter bestrijding van de ongeoorloofde
overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het
buitenland.
2. Hiertoe bevorderen de Staten die partij zijn het sluiten van bilaterale of
multilaterale overeenkomsten of het toetreden tot bestaande overeenkomsten.
artikel 12
1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen
mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden
die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt
gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in
iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij
rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor
geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het
nationale recht.
artikel 13
1. Het kind heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de
vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te vergaren, te ontvangen
en door te geven, ongeacht landsgrenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of
gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn of
haar keuze.
2. De uitoefening van dit recht kan aan bepaalde beperkingen worden gebonden,
doch alleen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn:
(a) voor de eerbiediging van de rechten of de goede naam van anderen; of
(b ter bescherming van de nationale veiligheid of van de openbare orde, de
volksgezondheid of de goede zeden.
artikel 14
1. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind op vrijheid van
gedachte, geweten en godsdienst.
2. De Staten die partij zijn, eerbiedigen de rechten en plichten van de ouders en,
indien van toepassing, van de wettige voogden, om het kind te leiden in de
uitoefening van zijn of haar recht op een wijze die verenigbaar is met de zich
ontwikkelende vermogens van het kind.
3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te
brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de
wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de openbare
orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de fundamentele rechten en
vrijheden van anderen.
artikel 15
1. De Staten die partij zijn, erkennen de rechten van het kind op vrijheid van
vereniging en vrijheid van vreedzame vergadering.
2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden
onderworpen dan die welke in overeenstemming met de wet worden opgelegd en
die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale
veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de
volksgezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen.
artikel 16
1. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige
inmenging in zijn of haar privéleven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning
of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of
haar eer en goede naam.
2. Het kind heeft het recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging
of aantasting.
artikel 17
De Staten die partij zijn, erkennen de belangrijke functie van de massamedia en
waarborgen dat het kind toegang heeft tot informatie en materiaal uit een
verscheidenheid van nationale en internationale bronnen, in het bijzonder
informatie en materiaal gericht op het bevorderen van zijn of haar sociale,
psychische en morele welzijn en zijn of haar lichamelijke en geestelijke gezondheid.
Hiertoe dienen de Staten die partij zijn:
(a) de massamedia aan te moedigen informatie en materiaal te verspreiden die tot
sociaal en cultureel nut zijn voor het kind en in overeenstemming zijn met de
strekking van artikel 29;
(b) internationale samenwerking aan te moedigen bij de vervaardiging, uitwisseling
en verspreiding van dergelijke informatie en materiaal uit een verscheidenheid
van culturele, nationale en internationale bronnen;
(c) de vervaardiging en verspreiding van kinderboeken aan te moedigen;
(d) de massamedia aan te moedigen in het bijzonder rekening te houden met de
behoeften op het gebied van de taal van het kind dat tot een minderheid of tot
de oorspronkelijke bevolking hoort;
(e) de ontwikkeling aan te moedigen van passende richtlijnen voor de bescherming
van het kind tegen informatie en materiaal die schadelijk zijn voor zijn of haar
welzijn, indachtig de bepalingen van de artikelen 13 en 18.
artikel 18
1. De Staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te
verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid
dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar
gelang het geval, wettige voogden, hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de
opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun
allereerste zorg.
2. Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te
bevorderen, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en
wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de
opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van
instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.
3. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat
kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en
voorzieningen voor kinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.
artikel 19
1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke
maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te
beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of
misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling,
mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind
onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg
voor het kind heeft.
2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende
procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma’s om te voorzien
in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind
hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor
opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen
van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor
inschakeling van rechterlijke instanties.
artikel 20
1. Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort,
moet missen, of dat men in zijn of haar belang niet kan toestaan in het gezin te
blijven, heeft het recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale
recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.
3. Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah
volgens het Islamitische recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in
geschikte instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op
passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de
opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond
van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.
artikel 21
De Staten die partij zijn en die de methode van adoptie erkennen en/of toestaan,
waarborgen dat het belang van het kind daarbij de voornaamste overweging is, en:
(a) waarborgen dat de adoptie van een kind slechts wordt toegestaan mits daartoe
bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten
en procedures en op grond van alle van belang zijnde en betrouwbare gegevens,
bepalen dat de adoptie kan worden toegestaan gelet op de verhoudingen van het
kind met zijn of haar ouders, familieleden en wettige voogden, en mits, indien
vereist, de betrokkenen, na volledig te zijn ingelicht, op grond van de adviezen
die noodzakelijk worden geacht, daarmee hebben ingestemd;
(b) erkennen dat interlandelijke adoptie kan worden overwogen als andere oplossing
voor de zorg voor het kind, indien het kind niet in een pleeg- of adoptiegezin
kan worden geplaatst en op geen enkele passende wijze kan worden verzorgd in
het land van zijn of haar herkomst;
(c) verzekeren dat voor het kind dat bij een interlandelijke adoptie is betrokken
waarborgen en normen gelden die gelijkwaardig zijn aan die welke bestaan bij
adoptie in eigen land;
(d) nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat, in het geval van
interlandelijke adoptie, de plaatsing niet leidt tot ongepast geldelijk voordeel
voor de betrokkenen;
(e) bevorderen, wanneer passend, de verwezenlijking van de doeleinden van dit
artikel door het aangaan van bilaterale of multilaterale regelingen of
overeenkomsten, en spannen zich in om, in het kader daarvan, te waarborgen
dat de plaatsing van het kind in een ander land wordt uitgevoerd door bevoegde
autoriteiten of instellingen.
artikel 22
1. De Staten die partij zijn, nemen passende maatregelen om te waarborgen dat een
kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het
toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als
vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders
of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire
bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit
Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of
humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.
2. Hiertoe verlenen de Staten die partij zijn, naar zij passend achten, hun
medewerking aan alle inspanningen van de Verenigde Naties en andere bevoegde
intergouvernementele organisaties of niet-gouvernementele organisaties die met de
Verenigde Naties samenwerken, om dat kind te beschermen en bij te staan en de
ouders of andere gezinsleden op te sporen van een kind dat vluchteling is, teneinde
de nodige inlichtingen te verkrijgen voor hereniging van het kind met het gezin
waartoe het behoort. In gevallen waarin geen ouders of andere familieleden kunnen
worden gevonden, wordt aan het kind dezelfde bescherming verleend als aan ieder
ander kind dat om welke reden ook, blijvend of tijdelijk het leven in een gezin moet
ontberen, zoals beschreven in dit Verdrag.
artikel 23
1. De Staten die partij zijn, erkennen dat een geestelijk of lichamelijk gehandicapt
kind een volwaardig en behoorlijk leven dient te hebben, in omstandigheden die de
waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve
deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken.
2. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het gehandicapte kind op
bijzondere zorg, en stimuleren en waarborgen dat aan het daarvoor in aanmerking
komende kind en degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar verzorging,
afhankelijk van de beschikbare middelen, de bijstand wordt verleend die is
aangevraagd en die passend is gezien de gesteldheid van het kind en de
omstandigheden van de ouders of anderen die voor het kind zorgen.
3. Onder erkenning van de bijzondere behoeften van het gehandicapte kind, dient
de in overeenstemming met het tweede lid geboden bijstand, wanneer mogelijk,
gratis te worden verleend, rekening houdend met de financiële middelen van de
ouders of anderen die voor het kind zorgen. Deze bijstand dient erop gericht te zijn
te waarborgen dat het gehandicapte kind daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs,
opleiding, voorzieningen voor gezondheidszorg en revalidatie, voorbereiding voor
een beroep, en recreatiemogelijkheden, op een wijze die bijdraagt dat het kind een
zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling
bereikt, met inbegrip van zijn of haar culturele en intellectuele ontwikkeling.
4. De Staten die partij zijn, bevorderen, in de geest van internationale
samenwerking, de uitwisseling van passende informatie op het gebied van
preventieve gezondheidszorg en van medische en psychologische behandeling van,
en behandeling van functionele stoornissen bij, gehandicapte kinderen, met inbegrip
van de verspreiding van en de toegang tot informatie betreffende
revalidatiemethoden, onderwijs, beroepsopleidingen, met als doel de Staten die
partij zijn, in staat te stellen hun vermogens en vaardigheden te verbeteren en hun
ervaring op deze gebieden te verruimen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder
rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.
artikel 24
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de
grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling
van ziekte en het herstel van gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te
waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen
voor gezondheidszorg wordt onthouden.
2. De Staten die partij zijn, streven de volledige verwezenlijking van dit recht na en
nemen passende maatregelen, met name:
(a) om baby- en kindersterfte te verminderen;
(b) om de verlening van de nodige medische hulp en gezondheidszorg aan alle
kinderen te waarborgen, met nadruk op de ontwikkeling van de
eerstelijnsgezondheidszorg;
(c) om ziekte, ondervoeding en slechte voeding te bestrijden, mede binnen het
kader van de eerstelijnsgezondheidszorg, door onder andere het toepassen van
gemakkelijk beschikbare technologie en door het voorzien in voedsel met
voldoende voedingswaarde en zuiver drinkwater, de gevaren en risico’s van
milieuverontreiniging in aanmerking nemend;
(d) om passende pre- en postnatale gezondheidszorg voor moeders te waarborgen;
(e) om te waarborgen dat alle geledingen van de samenleving, met name ouders en
kinderen, worden voorgelicht over, toegang hebben tot onderwijs, en worden
gesteund in het gebruik van de fundamentele kennis van de gezondheid van en
de voeding van kinderen, de voordelen van borstvoeding, hygiëne en sanitaire
voorzieningen en het voorkomen van ongevallen;
(f ) om preventieve gezondheidszorg, begeleiding voor ouders, en voorzieningen
voor en voorlichting over gezinsplanning te ontwikkelen.
3. De Staten die partij zijn, nemen alle doeltreffende en passende maatregelen
teneinde traditionele gebruiken die schadelijk zijn voor de gezondheid van kinderen
af te schaffen.
4. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe internationale samenwerking te
bevorderen en aan te moedigen teneinde geleidelijk de algehele verwezenlijking van
het in dit artikel erkende recht te bewerkstelligen. Wat dit betreft wordt in het
bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.
artikel 25
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde
autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in
verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke
evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden
die verband houden met zijn of haar plaatsing.
artikel 26
1. De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de voordelen te
genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale
verzekering, en nemen de nodige maatregelen om de algehele verwezenlijking van
dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationaal recht.
2. De voordelen dienen, indien van toepassing, te worden verleend, waarbij
rekening wordt gehouden met de middelen en de omstandigheden van het kind en
de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar onderhoud, alsmede iedere
andere overweging die van belang is voor de beoordeling van een verzoek daartoe
dat door of namens het kind wordt ingediend.
artikel 27
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een
levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele,
zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de
primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de
grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig
zijn voor de ontwikkeling van het kind.
3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale
omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende
maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen
dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in
programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft
voeding, kleding en huisvesting.
4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te
waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere
personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen
de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin
degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere
Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding
tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten,
alsmede het treffen van andere passende regelingen.
artikel 28
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs, en
teneinde dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken,
verbinden zij zich er met name toe:
(a) primair onderwijs verplicht te stellen en voor iedereen gratis beschikbaar te
stellen;
(b) de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aan te
moedigen, met inbegrip van algemeen onderwijs en beroepsonderwijs, deze
vormen voor ieder kind beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken, en
passende maatregelen te nemen zoals de invoering van gratis onderwijs en het
bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk;
(c) met behulp van alle passende middelen hoger onderwijs toegankelijk te maken
voor een ieder naar gelang zijn capaciteiten;
(d) informatie over en begeleiding bij onderwijs- en beroepskeuze voor alle kinderen
beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken;
(e) maatregelen te nemen om regelmatig schoolbezoek te bevorderen en het aantal
kinderen dat de school vroegtijdig verlaat, te verminderen.
2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te verzekeren dat
de wijze van handhaving van de discipline op scholen verenigbaar is met de
menselijke waardigheid van het kind en in overeenstemming is met dit Verdrag.
3. De Staten die partij zijn, bevorderen en stimuleren internationale samenwerking
in aangelegenheden die verband houden met onderwijs, met name teneinde bij te
dragen tot de uitbanning van onwetendheid en analfabetisme in de gehele wereld,
en de toegankelijkheid van wetenschappelijke en technische kennis en moderne
onderwijsmethoden te vergroten. In dit opzicht wordt met name rekening gehouden
met de behoeften van ontwikkelingslanden.
artikel 29
1. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te
zijn gericht op:
(a) de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en
geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;
(b) het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde
beginselen;
(c) het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen
culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land
waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen
dan de zijne of de hare;
(d) de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije
samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van
geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en
godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;
(e) het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving.
2. Geen enkel gedeelte van dit artikel of van artikel 28 mag zo worden uitgelegd dat
het de vrijheid aantast van individuele personen en rechtspersonen,
onderwijsinstellingen op te richten en daaraan leiding te geven, evenwel altijd met
inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel vervatte beginselen, en van het
vereiste dat het aan die instellingen gegeven onderwijs voldoet aan de door de Staat
vastgestelde minimumnormen.
artikel 30
In die Staten waarin etnische of godsdienstige minderheden, taalminderheden of
personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking voorkomen, wordt het kind dat
daartoe behoort niet het recht ontzegd tezamen met andere leden van zijn of haar
groep zijn of haar cultuur te beleven, zijn of haar eigen godsdienst te belijden en
ernaar te leven, of zich van zijn of haar eigen taal te bedienen.
artikel 31
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op rust en vrije tijd, op
deelneming aan spel en recreatieve bezigheden passend bij de leeftijd van het kind,
en op vrije deelneming aan het culturele en artistieke leven.
2. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind volledig deel te
nemen aan het culturele en artistieke leven, bevorderen de verwezenlijking van dit
recht, en stimuleren het bieden van passende en voor ieder gelijke kansen op
culturele, artistieke en recreatieve bezigheden en vrijetijdsbesteding.
artikel 32
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind te worden beschermd
tegen economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle
waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen of
schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele,
zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De Staten die partij zijn, nemen wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en
maatregelen op onderwijsterrein om de toepassing van dit artikel te waarborgen.
Hiertoe, en de desbetreffende bepalingen van andere internationale akten in acht
nemend, verbinden de Staten die partij zijn zich er in het bijzonder toe:
(a) een minimumleeftijd of minimumleeftijden voor toelating tot betaald werk voor
te schrijven;
(b) voorschriften te geven voor een passende regeling van werktijden en
arbeidsvoorwaarden;
(c) passende straffen of andere maatregelen voor te schrijven ter waarborging van de
daadwerkelijke uitvoering van dit artikel.
artikel 33
De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen, met inbegrip van
wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en maatregelen op onderwijsterrein,
om kinderen te beschermen tegen het illegale gebruik van verdovende middelen en
psychotrope stoffen zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen,
en om inschakeling van kinderen bij de illegale produktie van en de sluikhandel in
deze middelen en stoffen te voorkomen.
artikel 34
De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te beschermen tegen alle
vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik. Hiertoe nemen alle Staten die
partij zijn met name alle passende nationale, bilaterale en multilaterale maatregelen
om te voorkomen dat:
(a) een kind ertoe wordt aangespoord of gedwongen deel te nemen aan onwettige
seksuele activiteiten;
(b) kinderen worden geëxploiteerd in de prostitutie of andere onwettige seksuele
praktijken;
(c) kinderen worden geëxploiteerd in pornografische voorstellingen en
pornografisch materiaal.
artikel 35
De Staten die partij zijn, nemen alle passende nationale, bilaterale en multilaterale
maatregelen ter voorkoming van de ontvoering of de verkoop van of van de handel
in kinderen voor welk doel ook of in welke vorm ook.
artikel 36
De Staten die partij zijn, beschermen het kind tegen alle andere vormen van
exploitatie die schadelijk zijn voor enig aspect van het welzijn van het kind.
artikel 37
De Staten die partij zijn, waarborgen dat:
(a) geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede,
onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Doodstraf noch
levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vrijlating wordt
opgelegd voor strafbare feiten gepleegd door personen jonger dan achttien jaar;
(b) geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid
wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een
kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste
maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
(c) ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, wordt behandeld met
menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke
persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een
persoon van zijn of haar leeftijd. Met name wordt ieder kind dat van zijn of haar
vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het
kind wordt geacht dit niet te doen, en heeft ieder kind het recht contact met zijn
of haar familie te onderhouden door middel van correspondentie en bezoeken,
behalve in uitzonderlijke omstandigheden;
(d) ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd het recht heeft onverwijld te
beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de
wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten ten overstaan van een rechter
of een andere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit, en op een
onverwijlde beslissing ten aanzien van dat beroep.
artikel 38
1. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe eerbied te hebben voor en de
eerbiediging te waarborgen van tijdens gewapende conflicten op hen van toepassing
zijnde regels van internationaal humanitair recht die betrekking hebben op
kinderen.
2. De Staten die partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen om te waarborgen
dat personen jonger dan vijftien jaar niet rechtstreeks deelnemen aan
vijandelijkheden.
3. De Staten die partij zijn, onthouden zich ervan personen jonger dan vijftien jaar
in hun strijdkrachten op te nemen of in te lijven. Bij het opnemen of inlijven van
personen die de leeftijd van vijftien jaar hebben bereikt, maar niet de leeftijd van
achttien jaar, streven de Staten die partij zijn ernaar voorrang te geven aan diegenen
die het oudste zijn.
4. In overeenstemming met hun verplichtingen krachtens het internationale recht
om de burgerbevolking te beschermen in gewapende conflicten, nemen de Staten
die partij zijn alle uitvoerbare maatregelen ter waarborging van de bescherming en
de verzorging van kinderen die worden getroffen door een gewapend conflict.
artikel 39
De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen ter bevordering van het
lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind
dat het slachtoffer is van: welke vorm ook van verwaarlozing, exploitatie of
misbruik; foltering of welke andere vorm ook van wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing; of gewapende conflicten. Dit herstel en deze
herintegratie vinden plaats in een omgeving die bevorderlijk is voor de gezondheid,
het zelfrespect en de waardigheid van het kind.
artikel 40
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht
van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op
een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en
eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt
gehouden met de leeftijd van het kind en van de aanvaarding door het kind van een
opbouwende rol in de samenleving.
2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van
internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:
(a) geen enkel kind wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van
het begaan van een strafbaar feit op grond van enig handelen of nalaten dat niet
volgens het nationale of internationale recht verboden was op het tijdstip van het
handelen of nalaten;
(b) ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een
strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft:
(I) dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de
wet is bewezen;
(II) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem
of haar ingebrachte beschuldigingen, indien van toepassing door
tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat het juridische
of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van
zijn of haar verdediging;
(III) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde,
onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een
eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een
rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit
wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn
of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders
of wettige voogden;
(IV) dat het er niet toe wordt gedwongen een getuigenis af te leggen of schuld te
bekennen; dat het getuigen à charge kan ondervragen of doen ondervragen
en dat het de deelneming en ondervraging van getuigen à decharge op
gelijke voorwaarden kan doen geschieden;
(V) indien het schuldig wordt geacht aan het begaan van een strafbaar feit, dat
dit oordeel en iedere maatregel die dientengevolge wordt opgelegd,
opnieuw wordt beoordeeld door een hogere bevoegde, onafhankelijke en
onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie overeenkomstig de wet;
(VI) dat het kind kosteloze bijstand krijgt van een tolk indien het de gebruikte
taal niet verstaat of spreekt;
(VII) dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia
van het proces.
3. De Staten die partij zijn, streven ernaar de totstandkoming te bevorderen van
wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die in het bijzonder bedoeld zijn
voor kinderen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van
het begaan van een strafbaar feit, en, in het bijzonder:
(a) de vaststelling van een minimumleeftijd onder welke kinderen niet in staat
worden geacht een strafbaar feit te begaan;
(b) de invoering, wanneer passend en wenselijk, van maatregelen voor de
handelwijze ten aanzien van deze kinderen zonder dat men zijn toevlucht neemt tot
gerechtelijke stappen, mits de rechten van de mens en de wettelijke garanties
volledig worden geëerbiedigd.
4. Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg,
begeleiding en toezicht; adviezen; jeugdreclassering; pleegzorg; programma’s voor
onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient
beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen
hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun
omstandigheden als tot het strafbaar feit.
artikel 41
Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die meer bijdragen tot de
verwezenlijking van de rechten van het kind en die zijn vervat in:
(a) het recht van een Staat die partij is; of
(b) het in die Staat geldende internationale recht.

DEEL II
artikel 42
De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe de beginselen en de bepalingen van
dit Verdrag op passende en doeltreffende wijze algemeen bekend te maken, zowel
aan volwassenen als aan kinderen.
artikel 43
1. Ter beoordeling van de voortgang die de Staten die partij zijn, boeken bij het
nakomen van de in dit Verdrag aangegane verplichtingen, wordt een Comité voor de
Rechten van het Kind ingesteld, dat de hieronder te noemen functies uitoefent.
2. Het Comité bestaat uit tien deskundigen van hoog zedelijk aanzien en erkende
bekwaamheid op het gebied dat dit Verdrag bestrijkt. De leden van het Comité
worden door de Staten die partij zijn, gekozen uit hun onderdanen, en treden op in
hun persoonlijke hoedanigheid, waarbij aandacht wordt geschonken aan een
evenredige geografische verdeling, alsmede aan de vertegenwoordiging van de
voornaamste rechtsstelsels.
3. De leden van het Comité worden bij geheime stemming gekozen van een lijst van
personen die zijn voorgedragen door de Staten die partij zijn. Iedere Staat die partij
is, mag één persoon voordragen, die onderdaan van die Staat is.
4. De eerste verkiezing van het Comité wordt niet later gehouden dan zes maanden
na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna iedere twee jaar. Ten
minste vier maanden vóór de datum waarop een verkiezing plaatsvindt, richt de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan de Staten die partij zijn een
schriftelijk verzoek hun voordrachten binnen twee maanden in te dienen. De
Secretaris-Generaal stelt vervolgens een alfabetische lijst op van alle aldus
voorgedragen personen, onder aanduiding van de Staten die partij zijn die hen
hebben voorgedragen, en legt deze voor aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
5. De verkiezingen worden gehouden tijdens vergaderingen van de Staten die partij
zijn, belegd door de Secretaris-Generaal, ten hoofdkantore van de Verenigde Naties.
Tijdens die vergaderingen, waarvoor tweederde van de Staten die partij zijn het
quorum vormen, zijn degenen die in het Comité worden gekozen die voorgedragen
personen die het grootste aantal stemmen op zich verenigen alsmede een absolute
meerderheid van de stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers van de Staten
die partij zijn en die hun stem uitbrengen.
6. De leden van het Comité worden gekozen voor een ambtstermijn van vier jaar.
Zij zijn herkiesbaar indien zij opnieuw worden voorgedragen.
De ambtstermijn van vijf van de leden die bij de eerste verkiezing zijn gekozen,
loopt na twee jaar af: onmiddellijk na de eerste verkiezing worden deze vijf leden bij
loting aangewezen door de Voorzitter van de vergadering.
7. Indien een lid van het Comité overlijdt of aftreedt of verklaart om welke nadere
reden ook niet langer de taken van het Comité te kunnen vervullen, benoemt de
Staat die partij is die het lid heeft voorgedragen een andere deskundige die
onderdaan van die Staat is om de taken te vervullen gedurende het resterende
gedeelte van de ambtstermijn, onder voorbehoud van de goedkeuring van het
Comité.
8. Het Comité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast.
9. Het Comité kiest zijn functionarissen voor een ambtstermijn van twee jaar.
10. De vergaderingen van het Comité worden in de regel gehouden ten
hoofdkantore van de Verenigde Naties of op iedere andere geschikte plaats te
bepalen door het Comité. Het Comité komt in de regel eens per jaar bijeen. De
duur van de vergaderingen van het Comité wordt vastgesteld en, indien
noodzakelijk, herzien door een vergadering van de Staten die partij zijn bij dit
Verdrag, onder voorbehoud van de goedkeuring van de Algemene Vergadering.
11. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de nodige medewerkers en
faciliteiten beschikbaar voor de doeltreffende uitoefening van de functies van het
Comité krachtens dit Verdrag.
12. Met de goedkeuring van de Algemene Vergadering ontvangen de leden van het
krachtens dit Verdrag ingesteld Comité emolumenten uit de middelen van de
Verenigde Naties op door de Algemene Vergadering vast te stellen voorwaarden.
artikel 44
1. De Staten die partij zijn, nemen de verplichting op zich aan het Comité, door
tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, verslag uit te
brengen over de door hen genomen maatregelen die uitvoering geven aan de in dit
Verdrag erkende rechten, alsmede over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van
het genot van die rechten;
(a) binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor de betrokken
Staat die partij is;
(b) vervolgens iedere vijf jaar.
2. In de krachtens dit artikel opgestelde rapporten dienen de factoren en eventuele
moeilijkheden te worden aangegeven die van invloed zijn op de nakoming van de
verplichtingen krachtens dit Verdrag. De rapporten bevatten ook voldoende
gegevens om het Comité een goed inzicht te verschaffen in de toepassing van het
Verdrag in het desbetreffende land.
3. Een Staat die partij is die een uitvoerig rapport aan het Comité heeft overlegd,
behoeft in de volgende rapporten die deze Staat in overeenstemming met het eerste
lid, letter b, overlegt, basisgegevens die eerder zijn verstrekt, niet te herhalen.
4. Het Comité kan Staten die partij zijn verzoeken om nadere gegevens die verband
houden met de toepassing van het Verdrag.
5. Het Comité legt aan de Algemene Vergadering, door tussenkomst van de
Economische en Sociale Raad, iedere twee jaar rapporten over aangaande zijn
werkzaamheden.
6. De Staten die partij zijn, dragen er zorg voor dat hun rapporten algemeen
beschikbaar zijn in hun land.
artikel 45
Ten einde daadwerkelijke toepassing van het Verdrag te bevorderen en internationale
samenwerking op het gebied dat het Verdrag bestrijkt, aan te moedigen:
(a) hebben de gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde
Naties en andere organen van de Verenigde Naties het recht vertegenwoordigd te
zijn bij het overleg over de toepassing van die bepalingen van dit Verdrag welke
binnen de werkingssfeer van hun mandaat vallen. Het Comité kan de
gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere
bevoegde instellingen die zij passend acht, uitnodigen deskundig advies te geven
over de toepassing van dit Verdrag op gebieden die binnen de werkingssfeer van
hun onderscheiden mandaten vallen. Het Comité kan de gespecialiseerde
organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere organen van de
Verenigde Naties uitnodigen rapporten over te leggen over de toepassing van het
Verdrag op gebieden waarop zij werkzaam zijn;
(b) doet het Comité, naar hij passend acht, aan de gespecialiseerde organisaties, het
Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere bevoegde instellingen, alle
rapporten van Staten die partij zijn, toekomen die een verzoek bevatten om, of
waaruit een behoefte blijkt aan, technisch advies of technische ondersteuning,
vergezeld van eventuele opmerkingen en suggesties van het Comité aangaande
deze verzoeken of deze gebleken behoefte;
(c) kan het Comité aan de Algemene Vergadering aanbevelen de Secretaris-Generaal
te verzoeken namens het Comité onderzoeken te doen naar specifieke thema’s
die verband houden met de rechten van het kind;
(d) kan het Comité suggesties en algemene aanbevelingen doen gebaseerd op de
ingevolge de artikelen 44 en 45 van dit Verdrag ontvangen gegevens. Deze
suggesties en algemene aanbevelingen worden aan iedere betrokken Staat die
partij is, toegezonden, en medegedeeld aan de Algemene Vergadering, vergezeld
van eventuele commentaren van de Staten die partij zijn.

DEEL III
artikel 46
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door alle Staten.
artikel 47
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden
neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
artikel 48
Dit Verdrag blijft open voor toetreding door iedere Staat. De akten van toetreding
worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
artikel 49
1. Dit verdrag treedt in werking op de dertigste dag die volgt op de datum van
neerlegging bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de twintigste akte
van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na nederlegging
van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het Verdrag in werking
op de dertigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van
bekrachtiging of toetreding.
artikel 50
1. Iedere Staat die partij is, kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal deelt de
voorgestelde wijziging vervolgens mede aan de Staten die partij zijn, met het verzoek
hem te berichten of zij een conferentie van Staten die partij zijn, verlangen teneinde
de voorstellen te bestuderen en in stemming te brengen.
Indien, binnen vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een
derde van de Staten die partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de
Secretaris-Generaal de Vergadering onder auspiciën van Verenigde Naties bijeen.
Iedere wijziging die door een meerderheid van de ter conferentie aanwezige Staten
die partij zijn en die hun stem uitbrengen, wordt aangenomen, wordt ter
goedkeuring voorgelegd aan de Algemene Vergadering.
2. Een wijziging die in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel wordt
aangenomen, treedt in werking wanneer zij is goedgekeurd door de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties en is aanvaard door een meerderheid van
tweederde van de Staten die partij zijn.
3. Wanneer een wijziging in werking treedt, is zij bindend voor de Staten die partij
zijn die haar hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die partij zijn gebonden
zullen blijven door de bepalingen van dit Verdrag en door iedere voorgaande
wijziging die zij hebben aanvaard.
artikel 51
1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ontvangt de teksten van de
voorbehouden die de Staten op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding maken,
en stuurt deze rond aan alle Staten.
2. Een voorbehoud dat niet verenigbaar is met doel en strekking van dit Verdrag is
niet toegestaan.
3. Een voorbehoud kan te allen tijde worden ingetrokken door een daartoe
strekkende mededeling gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties,
die vervolgens alle Staten hiervan in kennis stelt. Deze mededeling wordt van kracht
op de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.
artikel 52
Een Staat die partij is, kan dit Verdrag opzeggen door een schriftelijke mededeling
aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De opzegging wordt van kracht
één jaar na datum van ontvangst van de mededeling door de Secretaris-Generaal.
artikel 53
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt aangewezen als de depositaris
van dit Verdrag.
artikel 54
Het oorspronkelijke exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese,
de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijktijdig authentiek zijn,
wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Ten blijke waarvan de ondertekenende gevolmachtigden, daartoe behoorlijk gemachtigd
door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en
kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind
De Staten die partij zijn bij dit Protocol,
Overwegend dat het ten behoeve van de verdere verwezenlijking van de
doelstellingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en de verdere
toepassing van de bepalingen ervan, in het bijzonder de artikelen, 1, 11, 21, 32, 33,
34, 35 en 36, gepast zou zijn de maatregelen uit te breiden die de Staten die partij
zijn, dienen te nemen teneinde de bescherming van kinderen te waarborgen tegen
de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie,
Tevens overwegend dat het Verdrag inzake de rechten van het kind het recht van het
kind erkent te worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen het
verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van
het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke,
geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind,
Ernstig bezorgd over de aanzienlijke en toenemende internationale handel in
kinderen ten behoeve van de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en
kinderpornografie,
Uiterst bezorgd over de wijdverbreide en voortdurende praktijk van sekstoerisme,
waarvoor kinderen bijzonder kwetsbaar zijn, aangezien het de verkoop van kinderen,
kinderprostitutie en kinderpornografie rechtstreeks bevordert,
Erkennend dat een aantal bijzonder kwetsbare groepen, met inbegrip van meisjes,
een groter risico loopt om seksueel te worden uitgebuit en dat meisjes onevenredig
vertegenwoordigd zijn onder de slachtoffers van seksuele uitbuiting,
Bezorgd over de toenemende beschikbaarheid van kinderpornografie via internet en
andere nieuwe technologieën, en herinnerend aan de Internationale Conferentie
inzake de bestrijding van kinderpornografie op internet (Wenen, 1999) en, in het
bijzonder, de conclusie daarvan die oproept tot het wereldwijd strafbaar stellen van
de vervaardiging, verspreiding, export, import, transmissie, het opzettelijk bezit en
propageren van kinderpornografie, en de nadruk leggend op het belang van nauwere
samenwerking en partnerschap tussen regeringen en de Internetbranche,
Van mening dat de uitbanning van de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en
kinderpornografie zal worden vergemakkelijkt door aanneming van een brede
benadering, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante factoren, zoals
onderontwikkeling, armoede, economische verschillen, een onrechtvaardige sociaaleconomische
structuur, probleemgezinnen, gebrek aan onderwijs, migratie van het
platteland naar de stad, discriminatie op grond van geslacht, onverantwoordelijk
seksueel gedrag door volwassenen, schadelijke traditionele praktijken, gewapende
conflicten en handel in kinderen,
Van mening dat het nodig is te pogen de bewustwording van het publiek te
bevorderen om de vraag van consumenten naar de verkoop van kinderen,
kinderprostitutie en kinderpornografie terug te dringen, en voorts overtuigd van het
belang van versterking van een wereldwijd partnerschap tussen alle actoren en van
het verbeteren van de rechtshandhaving op nationaal niveau,
Gelet op de bepalingen van internationale juridische instrumenten die relevant zijn
voor de bescherming van kinderen, met inbegrip van het Verdrag van Den Haag
inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de
interlandelijke adoptie, het Verdrag van Den Haag inzake de burgerrechtelijke
aspecten van internationale ontvoering, het Verdrag van Den Haag inzake de
bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de
samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter
bescherming van kinderen en Verdrag nr. 182 van de Internationale
Arbeidsconferentie betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de
uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid,
Aangemoedigd door de overweldigende steun voor het Verdrag inzake de rechten
van het kind, waaruit de algemene bereidheid blijkt zich in te zetten voor de
bevordering en bescherming van de rechten van het kind,
Het belang erkennend van de uitvoering van de bepalingen van het Actieprogramma
ter voorkoming van de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en
kinderpornografie en de Verklaring en de Agenda van Stockholm, aangenomen op
het Wereldcongres tegen de commerciële seksuele uitbuiting van kinderen,
gehouden te Stockholm van 27 tot en met 31 augustus 1996, en andere ter zake
dienende besluiten en aanbevelingen van relevante internationale organisaties,
Op passende wijze rekening houdend met het belang van de tradities en culturele
waarden van ieder volk voor de bescherming en de harmonische ontplooiing van het
kind,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
De Staten die partij zijn, verbieden de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en
kinderpornografie overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
a. de verkoop van kinderen: iedere handeling of transactie waarbij een kind wordt
overgedragen door een persoon of groep personen aan een andere persoon of groep
personen tegen betaling of een andere vorm van vergoeding;
b. kinderprostitutie: het gebruik van een kind bij seksuele handelingen tegen
betaling of een andere vorm van vergoeding;
c. kinderpornografie: elke afbeelding, op welke wijze dan ook, van een kind dat
betrokken is bij, werkelijke of gesimuleerde, expliciete seksuele gedragingen of elke
afbeelding van de geslachtsorganen van een kind voor primair seksuele doeleinden.
Artikel 3
1. Iedere Staat die partij is, waarborgt dat zijn strafrecht volledig van toepassing is op
ten minste de volgende handelingen en gedragingen, ongeacht of deze strafbare
feiten in eigen land dan wel grensoverschrijdend, of individueel dan wel in
georganiseerd verband worden gepleegd:
(a) in het kader van de verkoop van kinderen als omschreven in artikel 2:
(i) het aanbieden, afleveren of aanvaarden van een kind, ongeacht op welke wijze,
met als doel:
(a) de seksuele uitbuiting van het kind;
(b) de overdracht met winstoogmerk van organen van het kind;
(d) het onderwerpen van het kind aan gedwongen arbeid;
(ii) het als tussenpersoon ongerechtmatig verkrijgen van toestemming voor de
adoptie van een kind in strijd met toepasselijke internationale juridische
instrumenten inzake adoptie;
(b) het aanbieden, verwerven, aanwerven of ter beschikking stellen van een kind
voor kinderprostitutie als omschreven in artikel 2;
(c) het vervaardigen, distribueren, verspreiden, importeren, exporteren,
aanbieden, verkopen of bezitten voor bovengenoemde doeleinden van
kinderpornografie als omschreven in artikel 2.
2. Onverminderd de bepalingen van het nationale recht van een Staat die partij is,
geldt hetzelfde voor een poging tot het plegen van een van de bedoelde handelingen,
alsmede voor medeplichtigheid of deelneming aan deze handelingen.
3. Iedere Staat die partij is, stelt op deze feiten passende straffen die rekening
houden met de ernst ervan.
4. Onverminderd de bepalingen van zijn nationale recht, neemt iedere Staat die
partij is waar nodig maatregelen om de aansprakelijkheid van rechtspersonen te
vestigen voor de in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbare feiten. Met
inachtneming van de rechtsbeginselen van de Staat die partij is, kan deze
aansprakelijkheid van rechtspersonen strafrechtelijk, privaatrechtelijk of
bestuursrechtelijk zijn.
5. De Staten die partij zijn, nemen alle passende juridische en bestuurlijke
maatregelen om te waarborgen dat alle personen die betrokken zijn bij de adoptie
van een kind handelen in overeenstemming met toepasselijke internationale
juridische instrumenten.
Artikel 4
1. Iedere Staat die partij is, neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te
vestigen ten aanzien van de strafbare feiten bedoeld in artikel 3, eerste lid, wanneer
de feiten zijn gepleegd op zijn grondgebied of aan boord van een in die Staat
geregistreerd schip of luchtvaartuig.
2. Iedere Staat die partij is, kan de nodige maatregelen nemen om zijn rechtsmacht
te vestigen ten aanzien de strafbare feiten bedoeld, in artikel 3, eerste lid, indien:
a. de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat of een persoon die zijn
vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied heeft;
b. het slachtoffer een onderdaan is van die Staat.
3. Iedere Staat die partij is, neemt tevens de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht
te vestigen ten aanzien van de voornoemde strafbare feiten wanneer de
vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij hem niet uitlevert aan
een andere Staat die partij is op grond van het feit dat het strafbare feit door een van
diens onderdanen is gepleegd.
4. Dit Protocol sluit geen strafrechtelijke rechtsmacht uit die wordt uitgeoefend in
overeenstemming met het nationale recht.
Artikel 5
1. De strafbare feiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden geacht te zijn
beschouwd als uitleveringsdelicten in elk tussen de Staten die partij zijn bestaand
uitleveringsverdrag en worden opgenomen als uitleveringsdelicten in elk later tussen
hen te sluiten uitleveringsverdrag, in overeenstemming met de in die verdragen
genoemde voorwaarden.
2. Indien een Staat die partij is de uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van
een verdrag, en een verzoek om uitlevering wegens deze strafbare feiten ontvangt van
een andere Staat die partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten,
kan hij dit Protocol beschouwen als juridische grondslag voor uitlevering. De
uitlevering is onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte
Staat voorziet.
3. De Staten die partij zijn en de uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan
van een verdrag, erkennen deze strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten,
onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat
voorziet.
4. Voor uitlevering tussen de Staten die partij zijn, worden deze strafbare feiten
beschouwd niet alleen te zijn begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook
op het grondgebied van de Staten die overeenkomstig arikel 4 rechtsmacht dienen te
vestigen.
5.Wanneer een verzoek om uitlevering wordt gedaan ter zake van een in artikel 3,
eerste lid, omschreven strafbaar feit en de aangezochte Staat die partij is niet
uitlevert of wenst uit te leveren op grond van de nationaliteit van de dader, neemt
die Staat passende maatregelen om de zaak over te dragen aan zijn bevoegde
autoriteiten ten behoeve van vervolging.
Artikel 6
1. De Staten die partij zijn, verlenen elkaar de ruimst mogelijke bijstand in verband
met onderzoeken of bij strafrechtelijke of uitleveringsprocedures ter zake van de in
artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter
verkrijging van bewijsmateriaal waarover zij beschikken en dat nodig is voor de
procedure.
2. De Staten die partij zijn, komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste lid
van dit artikel na in overeenstemming met verdragen of andere regelingen inzake
wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of
regelingen ontbreken, verlenen de Staten die partij zijn elkaar rechtshulp in
overeenstemming met hun nationale wetgeving.
Artikel 7
Onverminderd de bepalingen van hun nationale recht:
(a) nemen de Staten die partij zijn maatregelen ten behoeve van het, indien
nodig, in beslag nemen van en beslag leggen op:
(i) zaken zoals documenten, vermogensbestanddelen en andere hulpmiddelen die
zijn gebruikt voor het plegen of bevorderen van strafbare feiten als bedoeld in dit
Protocol;
(ii) opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten;
(b) geven de Staten die partij zijn uitvoering aan verzoeken van een andere Staat
die partij is tot beslagneming van of beslaglegging op de in onderdeel a.
bedoelde zaken of opbrengsten;
(c) nemen de Staten die partij zijn maatregelen gericht op het, tijdelijk of
definitief, sluiten van panden die zijn gebruikt voor het plegen van dergelijke
strafbare feiten.
Artikel 8
1. De Staten die partij zijn, nemen passende maatregelen om de rechten en belangen
van kinderen die het slachtoffer zijn van de uit hoofde van dit Protocol verboden
praktijken tijdens alle fasen van de strafrechtelijke procedure te beschermen, in het
bijzonder door:
(a) de kwetsbaarheid van kinderslachtoffers te erkennen en procedures aan te passen
teneinde hun speciale behoeften, met inbegrip van hun speciale behoeften als
getuige, te erkennen;
(b) kinderslachtoffers te informeren over hun rechten en hun rol in en de omvang,
planning en voortgang van de procedure en de uitspraak in hun zaak;
(c) op een wijze die in overeenstemming is met de procesregels van het nationale
recht mogelijk te maken dat de opvattingen, behoeften en zorgen van
kinderslachtoffers naar voren worden gebracht en onderzocht in de procedure
wanneer hun persoonlijke belangen in het geding zijn;
(d) gedurende de gehele gerechtelijke procedure passende ondersteunende diensten
te bieden aan kinderslachtoffers;
(e) indien nodig de persoonlijke levenssfeer en identiteit van kinderslachtoffers te
beschermen en maatregelen te nemen in overeenstemming met het nationale
recht om verspreiding van informatie te voorkomen die zou kunnen leiden tot
de identificatie van kinderslachtoffers;
(f ) in daarvoor in aanmerking komende gevallen zorg te dragen voor de
bescherming van zowel kinderslachtoffers als hun gezinnen en van ten behoeve
van hen optredende getuigen, tegen intimidatie en represailles;
(g) onnodige vertraging wat betreft het wijzen van het vonnis en wat betreft de
uitvoering van rechterlijke bevelen of beschikkingen inzake de toekenning van
schadeloosstelling aan kinderslachtoffers te voorkomen.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen dat onzekerheid ten aanzien van de feitelijke
leeftijd van het slachtoffer geen beletsel vormt voor het instellen van strafrechtelijke
onderzoeken, met inbegrip van onderzoeken ten behoeve van het vaststellen van de
leeftijd van het slachtoffer.
3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat bij de behandeling door het
strafrechtssysteem van kinderen die het slachtoffer zijn van de in dit Protocol
omschreven strafbare feiten, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
4. De Staten die partij zijn, nemen maatregelen om te zorgen voor passende
scholing, in het bijzonder op het gebied van recht en psychologie, voor de personen
die werken met slachtoffers van de uit hoofde van dit Protocol verboden strafbare
feiten.
5. In de daarvoor in aanmerking komende gevallen nemen de Staten die partij zijn
maatregelen teneinde de veiligheid en integriteit van de personen en/of organisaties
die betrokken zijn bij de voorkoming en/of bescherming en rehabilitatie van
slachtoffers van deze strafbare feiten te beschermen.
6. Geen enkele bepaling van dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat deze schadelijk
is voor of onverenigbaar met de rechten van de verdachte op een eerlijk en
onpartijdig proces.
Artikel 9
1. De Staten die partij zijn, zullen ter voorkoming van de in dit Protocol bedoelde
strafbare feiten wettelijke en bestuurlijke maatregelen en sociaal beleid en
programma’s aannemen of aanscherpen, toepassen en bekendmaken. Specifieke
aandacht wordt geschonken aan de bescherming van kinderen die in het bijzonder
kwetsbaar zijn voor deze praktijken.
2. De Staten die partij zijn, bevorderen de kennis van het grote publiek, met
inbegrip van kinderen, door middel van informatie met alle passende middelen,
onderwijs en opleiding inzake de preventieve maatregelen en schadelijke gevolgen
van de in dit Protocol bedoelde strafbare feiten. Bij de nakoming van hun
verplichtingen uit hoofde van dit artikel moedigen de Staten die partij zijn de
deelname aan van de gemeenschap en, in het bijzonder, van kinderen en
kinderslachtoffers, aan de informatieve, educatieve en opleidingsprogramma’s, mede
op internationaal niveau.
3. De Staten die partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen teneinde alle
passende bijstand aan de slachtoffers van deze strafbare feiten te waarborgen,
waaronder hun volledige herintegratie in de maatschappij en hun volledige
lichamelijke en geestelijke herstel.
4. De Staten die partij zijn, waarborgen dat alle kinderslachtoffers van de in dit
Protocol omschreven strafbare feiten toegang hebben tot adequate procedures om
zonder onderscheid des persoons schadeloosstelling te vorderen van degenen die
juridisch aansprakelijk zijn.
5. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen gericht op het
doeltreffend verbieden van de vervaardiging en verspreiding van materiaal dat de in
dit Protocol omschreven strafbare feiten propageert.
Artikel 10
1. De Staten die partij zijn, nemen alle nodige stappen om de internationale
samenwerking te intensiveren door multilaterale, regionale en bilaterale regelingen
ten behoeve van voorkoming, opsporing, onderzoek, vervolging en bestraffing van
hen die verantwoordelijk zijn voor handelingen met betrekking tot de verkoop van
kinderen, kinderprostitutie, kinderpornografie en kindersekstoerisme. De Staten die
partij zijn, bevorderen ook de internationale samenwerking en coördinatie tussen
hun autoriteiten, nationale en internationale non-gouvernementele organisaties en
internationale organisaties.
2. De Staten die partij zijn, bevorderen de internationale samenwerking om
kinderslachtoffers bij te staan bij hun lichamelijke en geestelijke herstel, reintegratie
in de maatschappij en repatriëring.
3. De Staten die partij zijn, bevorderen de intensivering van internationale
samenwerking teneinde de hoofdoorzaken, zoals armoede en onderontwikkeling,
aan te pakken die ten grondslag liggen aan en bijdragen tot de kwetsbaarheid van
kinderen voor de verkoop van kinderen, kinderprostitutie, kinderpornografie en
kindersekstoerisme.
4. De Staten die partij zijn, verlenen, voor zover zij daartoe in staat zijn, financiële,
technische of andere bijstand door middel van bestaande multilaterale, regionale,
bilaterale of andere programma’s.
Artikel 11
Geen enkele bepaling van dit Protocol tast bepalingen aan die meer bijdragen tot de
verwezenlijking van de rechten van het kind en die vervat kunnen zijn in:
(a) het recht van een Staat die partij is;
(b) het in die Staat geldende internationale recht.
Artikel 12
1. Iedere Staat die partij is, brengt, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit
Protocol voor die Staat aan het Comité voor de Rechten van het Kind verslag uit
met uitgebreide informatie over de maatregelen die hij heeft genomen voor de
toepassing van de bepalingen van het Protocol.
2. Na het uitbrengen van het uitgebreide verslag, neemt iedere Staat die partij is in
de verslagen die hij in overeenstemming met artikel 44 van het Verdrag uitbrengt
aan het Comité voor de Rechten van het Kind alle verdere informatie op met
betrekking tot de toepassing van het Protocol.
De andere Staten die partij zijn bij het Protocol brengen iedere vijf jaar verslag uit.
3. Het Comité voor de Rechten van het Kind kan de Staten die partij zijn verzoeken
om nadere informatie die relevant is voor de toepassing van dit Protocol.
Artikel 13
1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door iedere Staat die partij is bij het
Verdrag of die het ondertekend heeft.
2. Dit Protocol dient te worden bekrachtigd en staat open voor toetreding door
iedere Staat die partij is bij het Verdrag of die het ondertekend heeft. De akten van
bekrachtiging of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal
van de Verenigde Naties.
Artikel 14
1. Dit Protocol treedt in werking drie maanden na de nederlegging van de tiende
akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor iedere Staat die dit Protocol bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat het in
werking is getreden, treedt het Protocol een maand na de datum van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging of toetreding in werking.
Artikel 15
1. Iedere Staat die partij is, kan dit Protocol te allen tijde opzeggen door een
schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die
vervolgens de andere Staten die partij zijn bij het Verdrag en alle Staten die het
Verdrag hebben ondertekend in kennis stelt. De opzegging wordt van kracht een
jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
2. Een dergelijke opzegging heeft niet tot gevolg dat de Staat die partij is, wordt
ontslagen van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Protocol met betrekking tot
strafbare feiten gepleegd voorafgaand aan de datum waarop de opzegging van kracht
wordt. Evenmin tast een dergelijke opzegging op enigerlei wijze de voortzetting van
het onderzoek aan van een aangelegenheid die reeds wordt bestudeerd door het
Comité voorafgaand aan de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
Artikel 16
1. Iedere Staat die partij is, kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal deelt de
voorgestelde wijziging vervolgens mede aan de Staten die partij zijn met het verzoek
hem te berichten of zij een conferentie verlangen van de Staten die partij zijn
teneinde de voorstellen te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen
vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde van de Staten
die partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal de
vergadering bijeen onder auspiciën van de Verenigde Naties.
Iedere wijziging die wordt aangenomen door een meerderheid van de ter conferentie
aanwezige Staten die partij zijn en die hun stem uitbrengen, wordt ter goedkeuring
voorgelegd aan de Algemene Vergadering.
2. Een wijziging die in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel wordt
aangenomen, treedt in werking wanneer zij is goedgekeurd door de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties en is aanvaard door een meerderheid van
tweederde van de Staten die partij zijn.
3. Wanneer een wijziging in werking treedt, is zij bindend voor de Staten die partij
zijn en haar hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die partij zijn gebonden
zullen blijven door de bepalingen van dit Protocol en door iedere voorgaande
wijziging die zij hebben aanvaard.
Artikel 17
1. Dit Protocol, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de
Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd in het
archief van de Verenigde Naties.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt gewaarmerkte afschriften
van dit Protocol toe aan alle Staten die partij zijn bij het Verdrag en alle Staten die
het Verdrag hebben ondertekend.


Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de
betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten
De Staten die Partij zijn bij dit Protocol,
Aangemoedigd door de overweldigende steun voor het Verdrag inzake de rechten
van het kind, waaruit de huidige algemene wil blijkt zich in te zetten voor de
bevordering en bescherming van de rechten van het kind,
Opnieuw bevestigend dat de rechten van kinderen speciale bescherming vereisen en
oproepend tot voortdurende verbetering van de situatie van kinderen zonder
onderscheid, alsmede tot hun ontplooiing en onderwijs onder vreedzame en veilige
omstandigheden,
Verontrust over de schadelijke en grote gevolgen van gewapende conflicten voor
kinderen en de consequenties ervan op de lange termijn voor duurzame vrede,
veiligheid en ontwikkeling,
Hun veroordeling uitsprekend over het gebruik van kinderen als doelwit bij
gewapende conflicten en over rechtstreekse aanvallen op objecten die onder
bescherming van het internationale recht staan, met inbegrip van plaatsen waar over
het algemeen veel kinderen aanwezig zijn, zoals scholen en ziekenhuizen,
Gelet op de aanneming van het Statuut van het Internationaal Strafhof, in het
bijzonder dat daarin als oorlogsmisdaad wordt aangemerkt het voor militaire dienst
oproepen of recruteren van kinderen jonger dan 15 jaar of hun inzet voor actieve
deelname aan vijandelijkheden, in zowel internationale als niet-internationale
conflicten,
Daarom overwegende dat, ter verdere versterking van de verwezenlijking van de in
het Verdrag inzake de rechten van het kind erkende rechten, het nodig is de
bescherming van kinderen tegen betrokkenheid bij gewapende conflicten uit te
breiden,
Vaststellend dat artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind aangeeft
dat voor de toepassing van dat Verdrag onder een kind wordt verstaan ieder mens
jonger dan achttien jaar, tenzij meerderjarigheid eerder wordt bereikt volgens het op
het kind van toepassing zijnde recht,
Ervan overtuigd dat een facultatief protocol bij het Verdrag dat de leeftijd verhoogt,
waarop personen kunnen worden gerecruteerd of opgenomen in de strijdkrachten
en kunnen deelnemen aan vijandelijkheden, doeltreffend zal bijdragen aan de
verwezenlijking van het beginsel dat de belangen van het kind de eerste overweging
dienen te vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen,
Gelet op het feit dat de zesentwintigste Internationale Conferentie van het Rode
Kruis en de Rode Halve Maan in december 1995 onder andere heeft aanbevolen dat
Partijen bij een conflict iedere uitvoerbare maatregel nemen om te waarborgen dat
kinderen jonger dan 18 jaar niet deelnemen aan vijandelijkheden,
De unanieme aanneming in juni 1999 verwelkomend van ILO-Verdrag nr. 182
betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de
ergste vormen van kinderarbeid, dat onder andere de gedwongen of verplichte
recrutering van kinderen voor inzet in gewapende conflicten verbiedt,
Hun scherpe veroordeling uitsprekend over de recrutering, training en inzet van
kinderen binnen en buiten nationale grenzen voor vijandelijkheden door gewapende
groepen die zich onderscheiden van de strijdkrachten van een Staat, en de
verantwoordelijkheid erkennend van diegenen die kinderen in dit verband
recruteren, trainen en inzetten,
Herinnerend aan de verplichting van elke Partij bij een gewapend conflict de
bepalingen van het internationale humanitaire recht te eerbiedigen,
Benadrukkend dat dit Protocol onverlet laat de doelstellingen en beginselen vervat
in het Handvest van de Verenigde Naties, met inbegrip van artikel 51, en de
relevante normen van het humanitaire recht,
Indachtig dat vreedzame en veilige omstandigheden op basis van volledige
eerbiediging van de doelstellingen en beginselen vervat in het Handvest en
eerbiediging van toepasselijke mensenrechteninstrumenten onontbeerlijk zijn voor
de volledige bescherming van kinderen, in het bijzonder tijdens gewapende
conflicten en buitenlandse bezetting,
Erkennend de speciale behoeften van kinderen die vanwege hun economische of
sociale situatie of geslacht bijzonder kwetsbaar zijn voor recrutering of inzet bij
vijandelijkheden in strijd met dit Protocol,
Gelet op de noodzaak rekening te houden met de economische, sociale en politieke
oorzaken die ten grondslag liggen aan de betrokkenheid van kinderen bij gewapende
conflicten,
Overtuigd van de noodzaak de internationale samenwerking te intensiveren bij de
toepassing van dit Protocol, alsmede het lichamelijk en geestelijk herstel en de
herintegratie in de maatschappij van kinderen die het slachtoffer zijn van gewapende
conflicten,
De gemeenschap en, in het bijzonder, kinderen en kinderslachtoffers, aanmoedigend
deel te nemen aan de verspreiding van informatieve en educatieve programma’s met
betrekking tot de toepassing van het Protocol,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
De Staten die Partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen om te waarborgen dat
leden van hun strijdkrachten die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt niet
rechtstreeks deelnemen aan vijandelijkheden.
Artikel 2
De Staten die Partij zijn, waarborgen dat personen die de leeftijd van 18 jaar nog
niet hebben bereikt, niet gedwongen worden ingelijfd of opgenomen in hun
strijdkrachten.
Artikel 3
1. De Staten die Partij zijn, verhogen de minimumleeftijd voor de vrijwillige
inlijving of opneming van personen in hun nationale strijdkrachten met jaren ten
opzichte van de minimumleeftijd genoemd in artikel 38, derde lid, van het Verdrag
inzake de rechten van het kind, rekening houdend met de beginselen vervat in dat
artikel en erkennend dat personen jonger dan 18 jaar ingevolge het Verdrag recht
hebben op speciale bescherming.
2. Elke Staat die Partij is, legt een bindende verklaring neer bij de bekrachtiging van
of toetreding tot dit Protocol waarin de minimumleeftijd wordt genoemd waarop hij
vrijwillige recrutering of opname in zijn nationale strijdkrachten zal toestaan en een
beschrijving van de garanties die hij heeft aangenomen om te waarborgen dat deze
recrutering of opname niet onder dwang geschiedt.
3. De Staten die Partij zijn die vrijwillige recrutering of opname in hun nationale
strijdkrachten toestaan onder de leeftijd van 18 jaar handhaven garanties om ten
minste te waarborgen dat:
(a) de recrutering of opname echt vrijwillig is;
(b) de recrutering of opname plaatsvindt met instemming van de ouders of wettige
voogden van de persoon, nadat zij zijn ingelicht;
(c) de personen volledig ingelicht worden over de plichten die gemoeid zijn met de
militaire dienst;
(d) de personen voorafgaand aan hun toelating tot de nationale militaire dienst een
betrouwbaar bewijs van hun leeftijd overleggen.
4. Elke Staat die Partij is, kan zijn verklaring te allen tijde kracht bijzetten door een
kennisgeving van die strekking gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties, die alle Staten die Partij zijn in kennis stelt. De kennisgeving wordt van
kracht op de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.
5. De eis in het eerste lid van dit artikel tot verhoging van de leeftijd is niet van
toepassing op scholen die worden geëxploiteerd door of onder toezicht staan van de
strijdkrachten van de Staten die Partij zijn, in overeenstemming met de artikelen 28
en 29 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
Artikel 4
1. Gewapende groepen die zich onderscheiden van de strijdkrachten van een Staat
mogen onder geen enkele omstandigheid personen onder de leeftijd van 18 jaar
recruteren of inzetten bij vijandelijkheden.
2. De Staten die Partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen om een dergelijke
recrutering en inzet te voorkomen, met inbegrip van de aanneming van de nodige
wettelijke maatregelen om dergelijke praktijken te verbieden en strafbaar te stellen.
3. De toepassing van dit artikel uit hoofde van dit Protocol laat de juridische status
van een Partij bij een gewapend conflict onverlet.
Artikel 5
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden uitgelegd als een beletsel voor de
toepassing van bepalingen uit het recht van een Staat die Partij is of uit
internationale instrumenten en internationaal humanitair recht die gunstiger zijn
voor de verwezenlijking van de rechten van het kind.
Artikel 6
1. Elke Staat die Partij is, neemt alle nodige juridische, bestuurlijke en andere
maatregelen om de doeltreffende toepassing en daadwerkelijke uitvoering van de
bepalingen van dit Protocol binnen zijn rechtsmacht te waarborgen.
2. De Staten die Partij zijn, verbinden zich ertoe de beginselen en bepalingen van dit
Protocol algemeen bekend te maken aan zowel volwassenen als kinderen en met
gepaste middelen te bevorderen.
3. De Staten die Partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen om te waarborgen
dat personen onder hun rechtsmacht die in strijd met dit Protocol worden
gerecruteerd of ingezet bij vijandelijkheden worden gedemobiliseerd of anderszins
worden vrijgesteld van de dienst. De Staten die Partij zijn, bieden, indien nodig,
deze personen alle passende hulp ten behoeve van hun lichamelijk en geestelijk
herstel en hun herintegratie in de maatschappij.
Artikel 7
1. De Staten die Partij zijn, werken samen bij de toepassing van dit Protocol, met
inbegrip van de voorkoming van elke activiteit die in strijd is met het Protocol en bij
de revalidatie en herintegratie in de maatschappij van personen die het slachtoffer
zijn van handelingen die in strijd zijn met dit Protocol, onder andere door middel
van technische samenwerking en financiële bijstand. Deze bijstand en samenwerking
zullen plaatsvinden in overleg met de betrokken Staten die Partij zijn en de relevante
internationale organisaties.
2. De Staten die Partij zijn die daartoe in staat zijn, verlenen deze bijstand via
bestaande multilaterale, bilaterale of andere programma’s, of, onder andere, via een
in overeenstemming met de regels van de Algemene Vergadering opgericht vrijwillig
fonds.
Artikel 8
1. Elke Staat die Partij is, brengt, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het
Protocol voor die Staat die Partij is, verslag uit aan het Comité voor de Rechten van
het Kind met uitvoerige informatie over de maatregelen die hij heeft genomen voor
de toepassing van de bepalingen van het Protocol, met inbegrip van de maatregelen
voor de toepassing van de bepalingen inzake deelname en recrutering.
2. Nadat hogergenoemd uitvoerig verslag is uitgebracht, neemt elke Staat die Partij
is in de verslagen die hij uitbrengt aan het Comité voor de Rechten van het Kind in
overeenstemming met artikel 44 van het Verdrag alle verdere informatie op met
betrekking tot de toepassing van het Protocol. De andere Staten die Partij zijn bij
het Protocol brengen iedere vijf jaar verslag uit.
3. Het Comité voor de Rechten van het Kind kan de Staten die Partij zijn verzoeken
om nadere informatie die relevant is voor de toepassing van dit Protocol.
Artikel 9
1. Dit Protocol staat open voor ondertekening voor elke Staat die Partij is bij het
Verdrag of voor wie het is ondertekend.
2. Dit Protocol dient te worden bekrachtigd en staat open voor toetreding door
iedere Staat. De akten van bekrachtiging of toetreding dienen te worden nedergelegd
bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
3. De Secretaris-Generaal, in zijn hoedanigheid van depositaris van het Verdrag en
van het Protocol, stelt alle Staten die Partij zijn bij het Verdrag en alle Staten voor
wie het Verdrag is ondertekend in kennis van de nederlegging van elke verklaring uit
hoofde van artikel 3.
Artikel 10
1. Dit Protocol treedt in werking drie maanden na de nederlegging van de tiende
akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor elke Staat die dit Protocol bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat het in
werking is getreden, treedt dit Protocol een maand na de datum van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging of toetreding in werking.
Artikel 11
1. Iedere Staat die Partij is, kan dit Protocol te allen tijde opzeggen door een
schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die
vervolgens de andere Staten die Partij zijn bij het Verdrag en alle Staten voor wie het
Verdrag is ondertekend in kennis stelt. De opzegging wordt van kracht een jaar na
de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal. Indien na
afloop van dat jaar de opzeggende Staat die Partij is echter betrokken is bij een
gewapend conflict, wordt de opzegging niet van kracht voordat het gewapende
conflict beëindigd is.
2. Een dergelijke opzegging heeft niet tot gevolg dat de Staat die Partij is, wordt
ontslagen van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Protocol met betrekking tot
handelingen die geschieden voorafgaand aan de datum waarop de opzegging van
kracht wordt. Evenmin tast een dergelijke opzegging op enigerlei wijze de voortzetting
van het onderzoek aan van een aangelegenheid die reeds wordt bestudeerd
door het Comité voorafgaand aan de datum waarop de opzegging van kracht
wordt.
Artikel 12
1. Iedere Staat die Partij is, kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal deelt de voorgestelde
wijziging vervolgens mede aan de Staten die Partij zijn, met het verzoek
hem te berichten of zij een conferentie van de Staten die Partij zijn verlangen teneinde
de voorstellen te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen vier
maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde van de Staten die
Partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal de vergadering
onder auspiciën van de Verenigde Naties bijeen. Iedere wijziging die wordt
aangenomen door een meerderheid van de ter conferentie aanwezige Staten die
Partij zijn en die hun stem uitbrengen, wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de
Algemene Vergadering.
2. Een wijziging die in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel wordt
aangenomen, treedt in werking wanneer zij is goedgekeurd door de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties en is aanvaard door een meerderheid van
tweederde van de Staten die Partij zijn.
3. Wanneer een wijziging in werking treedt, is zij bindend voor de Staten die Partij
zijn die haar hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die Partij zijn gebonden zullen
blijven door de bepalingen van dit Protocol en door iedere voorgaande wijziging
die zij hebben aanvaard.
Artikel 13
1. Dit Protocol, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de
Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd in het
archief van de Verenigde Naties.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt gewaarmerkte afschriften
van dit Protocol toe aan alle Staten die Partij zijn bij het Verdrag en aan alle Staten
voor wie het Verdrag is ondertekend.

Reikimeester homepage